JOODSE GESCHIEDENIS TE MEERSSEN

                  Vanaf 1600 tot rond 1830                


"In de Diaspora namen de Joden naast de THORA de TALMUD en hun gebeden in feite niets mee. Dit echter is hun rijkdom en deze geschriften zijn hun leidraad."

 

De eerste gegevens over de joden te Meerssen dateren van 22 september 1693.  Op deze dag leverde "de jood van Meerssen" 86 pond ossevlees voor 14 guldens en 14 stuivers aan de Proos­dij. Op de 24ste november 1694: betaald aan de jood van Meers­sen voor levering van 51 pond ossevlees, de som van 5 gulden en zeven stuivers. Mogelijk werd Levie, die tussen 1687 en 1708 vanuit Rekem in Meerssen arri­veerde, met de "jood" bedoeld. Levie had zich daar, hoogstwaar­schijnlijk in opdracht van de graaf van Rekem, bezig gehouden met het illegaal slaan van Hollandse Duiten. Nadat  Hollandse troepen in het grafelijk kasteel zijn gereedschap hadden vernield, vertrok hij naar Meerssen. 

Levi's nageslacht heeft de fam. naam Soesman aangenomen.

 

Ook in 1704 vind men rekeningen voor het leveren van vlees. Nu is er sprake van "de joden" (in meervoud). Namen worden tot dan niet genoemd.

 

De inwoners van de schepenbank werden opgeroepen de joden in rust en vrede in hun midden te laten wonen.

 

In 1708 heeft Maarten Custers zich voor honderd ducaten borg gesteld voor de Rekemse muntmeester en voor Hertog Jacob van Gelder, een gebruikelijke gang van zaken voor de vestiging van vreemdelingen te Meerssen.

 

Zo ook Bernard Bar Levy (Bernard Bar Levy betekend: Bernard zoon van Levy), een jood met een goede reputatie. Hij vestigde zich als slager en koopman in de Beekstraat te Meerssen en deed weldra goede zaken met de Proosdij.

 

Intussen had op 10 mei 1712 te Maastricht een triest voorval plaats, dat ook grote invloed zou hebben op de joodse gemeenschap van Meerssen.

't Was de verschrikkelijke moord op de weduwe Bamphy, gepleegd door haar vroegere dienstmaagd Helena Meyer, oud 22 jaar (geboren te Beek) en haar verloofde David Moyses van bijna 25 jaar (uit Berlijn).

Aangezien Helena vroeger in dienst was geweest bij de welgestelde weduwe Bamphy en dus op de hoogte was van haar rijkdom, beraamde zij en haar verloofde een inbraak bij de weduwe. Op de avond van de  10e mei, toen de weduwe alleen thuis was, overvielen zij de niets vermoedende vrouw. Mevrouw Bamphy schreeuwde zo hard, dat de buren kwamen kijken. Maar het was  te laat. Met een groot slagersmes hadden  zij mevrouw Mevrouw Bamphy vermoord. Uit angst vluchtten zij naar de kelder waar beiden zelfmoord wilden plegen. Helena had in haar hals een levensgevaarlijke diepe wond van vijf centimeter groot.  David had zijn luchtpijp doorgesneden.  Hun zelfmoordpoging mislukte. Zij werden overmeesterd door de buren en op 17 mei door de Schepenen van het Hoge Brabantse gerecht veroordeeld.

David Moyses: "….. om van onderen op levendig geradbraeckt te worden, sonder den genadeslag te ontfangen. Voorts de rechter­hand afgecapt, daerna syn lichaem op eene horde (platte mand) naer buyten gesleept, aldaer op een rad tentoongesteld, met de afgekapte hand en het mes waermede hij den moord mede begaen heeft, boven sijn hoofd vastgemaeckt''.

Helena Meijer:  "…. om op een cruys gelegt, de rechterhand afgecapt, daerna de keele afgesneden en voorts haer dood lichaem meede op eene horde naer buyten gesleept en aldaer op een rad ten thoon geset te worden.''

Het vonnis werd op 18 mei 1712  op de Markt te Maastricht voltrokken.

 

Naar aanleiding van de  moord op de weduwe Bamphy vermeldt een kroniek uit die tijd:

"Op allen den tijd dat David Moyses geradbraakt is geworden ende andere pijnen onderstaan heeft, hij niet een woord heeft gesegd, alleenlijk maer so nu en dan eens roepen­de: ,,Abraham... Abraham''.

"Dat sijn lichaem soo geraedbraekt ende de beenen in cleyne stucken vermor­seld wesende, hij op het schavot soo heeft gelegen tot vier uur in de achter­middag. Dat hij om een uur des middachs nog een glas wijn gedronken heeft ende van het schavot afgenomen en naer buyten gebrocht ende op het rad geleyt, hij nog levendig sijnde, sich niet eenmaal verroerd heeft."

 

Op de dag van executie werd een gezang van 130 regels ten gehore gebracht.

De eerste regels waren als volgt.

        ''Schrikt en schroomt all die leven

          de natuer moet heden beven,

          over een seer vrede moort,

          die niet veel en is gehoort.

          Om de schatten en juweelen

          met malcander te verdeelen

          heeft een joodt, en een jodin

          wyt gewerkt dees booste zin .... ''

 

De moord werd wijd en zijd besproken en uit wraak werden joden  dusdanig bejegend en mishandeld dat velen het veiliger vonden om Maastricht te ver­laten.

 

In de periode tussen 15 maart 1718 en 23 november 1723 treft men  regelmatig onder Vice-Proost Charles Dubois rekeningen aan op naam  van Bernard Levy. Tussen 1720 en 1723 is er een probleem ontstaan over de levering van vlees.

Op 8 maart 1720 verklaard Charles Dubois:

"Naer afrekening soo van vlees, als van andere "coopmanschappen, aen mij onderschreven door Bernard Levy geleverd. Afgetrokken al het geene hij, soo in geld, vruchten, als andersins ontvangen heeft, bekenne tot dato dese aen hem, Levy, in alles nog schuldig te blijven, de somme van sevenhondert ende twaalf guldens, agtien stuyvers ende een halve.

"Actum tot Meerssen, den 8e Marty, een duysent sevenhondert ende Twintig. Was getekend, Charles Dubois, Vice-Proost".

 

Op 30 november 1723 is er een verklaring van Bernard Levy.

"Den ondergeschrevenen verclaert van bovenstaande (Dubois) in handen voldaen te zijn, onder projuditie van resteerde rekeningen en de gereese costen voor de justitie van Meerssen, die den WelEerwaarde. Heere Proost van Meerssen volgens accoord tot sijnen laste genomen heeft, relaes tot voor­schreeven accoord. "Atum tot Meerssen de 30 nov. 1723 w.g. Ber Levy.

 

Tijdens een rechtszaak uit het jaar 1723, treffen wij Bernard Levy weer aan, met zijn zoon Elias.

Bernard Levy droeg, op weg naar huis een zak goederen op zijn rug , toen hij werd lastig gevallen door “de jood Vaes Isaec uit Heerlen “, welke dronken was.

Vaes Isaec wilde Bernard Levy de zak met goederen van zijn rug slaan.

Bernard Levy liet zich dit niet welgevallen en wierp Vaes Isaec op de grond, daarbij geholpen door zijn zoon Elias.

In de proces­stukken wordt vermeld:

"Dat den joode van Heerle, Vaes Isaec, questie heeft gehad met den joode Elias Levy en denselve seer scheldende als schelm."

De zoon had het blijkbaar opgenomen voor zijn vader.

 

In 1731 werden in de Staatse landen van Overmaas wetten aangenomen betreffende de toelating van joden. Deze toelating vond plaats nadat een jood een bewijs van goed gedrag kon overleggen. hetwelk afgegeven moest zijn in zijn vorige  woonplaats en hij moest een vermogen hebben van fl. 200,-

 

De familie (Levi cq. Soesman) waren voorzover bekend de eerste joodse ingezete­nen van Meerssen.  Als slager en koopman woonden zij in de Beekstraat. Levie Soesman op nummer 31 en zijn broer Bernard Levy op nummer 43. Bernard Levy kocht in 1715 een stuk grond langs de Geul op de weg van Meerssen naar Rothem en Levi Soesman richtte een gedeelte van zijn woning in als huissynagoge.

 

Omdat de Levy’s geen geboren Meerssenaren waren, dachten zij zich te  kunnen onttrekken aan het plaatselijke gebruik en verplichting om wacht te lopen.

Op 1 mei 1723 kwam de wacht bij het huis van Bernard Levy en klopte aan. De zoon van Bernard opende het raam en riep: "Wie klopt daar".

De commandant van de wacht maakte zich bekend. Elias antwoordde: "Sij en hadde met de wacht niets te doen" waarop de commandant riep: "Waarom soudt gij niet so waeken als wij?" Elias zei daarop: "Sij souden sich weg pakken, hij had met hen niets van doen." Verder zei hij nog: "Ik sal U morgen om acht uur wel leeren", waarop de commandant riep: "Schiet maer op. Waerom en soudt gij niet waeken als wij? Indien wij niet waeken, soo souden wij slecht naecoomen de ordonantien van onsen Souvereyn, ende gij meent dat gij wat meer sijt dan wij." Elias antwoordde: "Morgen om acht uur sal ik u wel spreeken, gaet nu maer slaepen." Vervolgens vertrok de wacht en maakte rapport op.

 

Deze en andere voorvallen zetten veel kwaad bloed, en daardoor werden de joden hoe langer en meer met een scheve blik bekeken en zij niet alleen. Ook hun personeel, de zgn. sabbatmeisjes, moest het vaak ontgelden. De orthodoxe joden volgen zeer streng hun religieuze wetten, zij mochten bijvoorbeeld op Sabbat (van vrijdagavond tot zaterdagavond) geen arbeid verrichten, lampen mochten zij niet aansteken. Hiervoor werden katholieke meisjes ingehuurd; men noemde deze Sabbatmeisjes.

Zebilla Cijl, sabbatmeid bij de familie Soesman, was op een vrijdag aan De Beek, bij de Gasthuisbrug (op het einde van de Beekstraat) koperwerk aan het schuren, toen iemand haar van achteren "met groot force geweld, sodaenig in het waeter had geworpen, dat sij van onder tot boven was nat geweest en met drek en slijk overtrokken was." Zij was geschrokken  en had niet kunnen zien wie dit gedaan had. De oude heer Abraham Levy, die aan zijn deur stond, had het wel gezien en gezegd dat het Martinus Schrooders was geweest. Tijdens haar val in de beek, had zij uit haar tas zes of zeven schellingen aan geld, een koperstuk en een zilveren gesp, die zij gekocht had voor acht gulden, verloren. Zij ging dit onmiddellijk aangeven.

Martinus Schrooders was de dag erna, in opdracht van zijn baas en zijn vrouw Marijke, alias het Krauwkopke van Meerssen, naar haar toegegaan, had in onderling overleg een schikking willen treffen. Maar Zebilla Cijl wilde dit niet, zij wilde het voor het gerecht brengen. Isaec, die bij Elias Levi inwoonde, hoorde dat Martinus Schrooders gezegd zou hebben: "Indien ik de boete moet betalen voor dat in de Beek te stoten, zal die meid van Levy Soesman niet levend uit Meerssen komen".

 

In de jaren 1788 - 1795 was er een aanzienlijke uitbreiding van joden te Meerssen door een grote immigratie uit Duitsland (Rijnland).

In Meerssen zouden zij echter evenmin een land van melk en honing aantreffen.  Het Staatse zuiden trok de meeste joden aan: Heerlen, Meerssen, Gulpen en Eysden, en in mindere mate Vaals, Valkenburg en Beek en incidenteel nog Hulsberg (behorende Nieuweweg te Valkenburg wonende joden echter bedoeld zijn) [mij niet duidelijk-B.N.] ( kan hier ook niets mee – BRC), Haasdal onder Schimmert, Limmel en de vrije Rijksheerlijkheden Stein en Elsloo, alle aan- of nabij belangrijke verkeerswegen gelegen.

Ook in vroegere eeuwen vestigden zich in deze omgeving voor kortere of langere tijd joden, hoeveel is slechts met weinig zekerheid bekend. In en voor 1300 zijn er al joodse Maastrichtenaren geweest.

 

In 1795 was het aantal in Meerssen toegenomen tot 157, inclusief vrou­wen en kinderen. Enkelen uit Amsterdam en één uit 's-Hertogenbosch. Ongeregistreer­de joden woon­den in een pension of bij Meerssener joden of bij andere inwo­ners van Meerssen, of bewoonden clandstien leegstaande huizen.

Enige jaren later, in 1798, werden joodse huizen, op aandringen van de Franse autoriteiten, uitgekamd en werd hun aantal een stuk lager.

In 1808 was dit aantal nog 54. Intussen had Soesman Levi goede zaken kunnen doen en zijn bezit kunnen uitbreiden. Hij mocht drie huizen aan de Beek­straat zijn eigendom noemen. Levie Soesman, de oude, gehuwd met Sara Salom, koopt op 6 december 1780 van Peter Honee een huis in de Beekstraat, hoek Kerkstraat, gelegen naast het zijne, groot 2 grote roeden.

Zo deed hij met zijn drie zonen, naast de slagerij, nog handel in het groot. Uit een verklaring in  het jaar 1791 blijkt, dat de Proosdij een schuld had aan Levi Soesman Sr. van 16 stuivers voor grondrechten en aan Salomon Soesman de zoon, voor levering van bakstenen, de som van 172 guldens en 11 stuivers en aan Soesman Levi Jr. de lopende rekening van vlees. Bij testament van 4 februari 1796 bepaalde hij dat, na beider dood, zijn zoon Bernhard het huis en de hof zou krijgen waarbinnen de synagoge was gelegen. Hij overleed in het jaar 1811, op de leeftijd van bijna 100 jaar.

Met de inlijving van de Zuidelijke Nederlanden per 1 oktober 1795 werd de Franse jodenwet van kracht. Hierdoor kregen de joden ook  burgerrechten; nu konden ook zij zich vrij vestigen en overheidsbetrekkingen aangaan.

 

Daadwerkelijke pogin­gen om gelijkberechtiging van de joden door te voeren kwamen pas met de komst van Lodewijk Napoleon in 1806.

Bij Keizerlijk decreet van 10 juli 1808 van Napoleon werd bepaald dat iedereen een familienaam moest aannemen. Men kreeg enig respijt om er zelf een te kiezen, had men echter binnen de bepaalde tijd geen naam gekozen dan werd er een door de staat vastgesteld. Weinig joden voerden een familienaam. Zij stonden ingeschreven als bijvoorbeeld Isaac bar David, of Ester de dochter van Isaac. Er zijn ongeveer 45 akten bij de burgelijke stand bekend waarin de naamsveran­deringen van joden te Meerssen geregistreerd zijn.

De betref­fende, nog bestaande registers van Meerssen, Schimmert en Valken­burg melden verschillen in naamsaannemingen. In het algemeen was het de bedoeling de joodse achternaam te verande­ren: Levi koos de familienaam Soesman. Seligman werd Zeligman, Herz verkoos de naam Wijngaard, Meijer werd Manuel, Abraham werd August. Dit was geen vaste regel, want ook namen zij een patroniem aan: Benedic, Meijers, Daniels, Hartogs, Heij­man, Marx (van Marcus) of een vertaling van vaders naam: Hertog van Herts en Hermans van Huyman.

 

Afstammelingen van Cohen namen via Kahn uiteindelijk de naam Kosten aan. In Schimmert noemde iemand  zich eenvoudig Burger. Ook koos men soms  een naam die eerder als bijnaam was gegeven, bijvoorbeeld in het Valkenburgse noemde zich een jodin "Mina Mols".

 

Niet iedere joodse familie liet zich registreren. Dit blijkt uit een brief van de burgemeester van Meerssen op 18.10.1808. Hij had een lijst van  joden in de gemeente Meerssen, die niet de vereiste aangifte hadden gedaan, gebaseerd op de het Keizerlijk decreet van 20 juli 1808, met  betrekking tot de naamswijziging.

Opgemaakt en gebaseerd op de brief van de Prefect,  d.d. 6 oktober 1808.

 

Na 1800 vertrokken veel joden naar Duitsland, maar de joodse gemeenschap in Meerssen bleef groot genoeg om een synagoge te vullen.

Het jaar 1808 was voor de joden in deze streek erg belangrijk. Bij decreet van 17 maart 1808 van  Napoleon kwam het tot de oprichting van het Centraal Consistorie.  Het was Napoleons bedoeling hiermee de joden te controleren.

Bij Koninklijk Besluit van 12 september 1­806 werd het Opperconsisto­rie opgericht.

(dit klopt volgens mij niet, eerst decreet van 17-03-1808 en K.B. van 1806 ?) BRC

(Dat moet 1808 zijn, zie de tekst onderdaan op pagina 10 en bovenaan pagina 11:

www.centreceramique.nl/gemeentearchief/pdfbestanden/Joodse%20Gemeente%20Maastricht_GAM.pdf  ) MCW

 

Limburg viel voor een groot gedeelte onder het consistorie van Krefeld met als Opperrabbijn Lob Carlburg. Dat ging zonder veel weerstand, ondanks het feit dat de joodse gemeenten tot dat moment zelfstandig geweest waren.

 

Met het aantreden van Willem I in 1814 kwam er een einde aan deze consistoriaal­inrichting, maar er kwam een andere, gelijksoortige organisatie. In Maastricht kwam de hoofdsynagoge met zes ringen; o.a. Meerssen. Het verzet tegen deze organisatie blijkt uit de correspondentie tussen de hoofdsyna­goge en Meerssen. De controle van begrotingen en jaarrekeningen werd nu door een commissie uit Maastricht gedaan.

 

In 1808 werd door koning Lodewijk Napoleon een volks­telling bevolen, welke in Limburg werd gehouden op 30 december.  Omdat er tussen 1813 en 1815 archieven zijn verdwenen, ontbreken vooral van de kantons ten oosten van Maastricht bijna alle gegevens, behalve die van  Meerssen. Deze bevinden zich in het gemeentearchief.

Er bestaat echter ook een religie telling uit het jaar 1803, ter gelegenheid van het herstel van bisdom Luik.  Aan de hand van deze telling kan men het aantal joden voor Meerssen en omgeving vaststellen op circa 80.

In de lijst van joden in het Departement Nedermans (door David Joseph) staan 54 joden vermeld, woonachtig te Meerssen.

Voor het jaar 1829 is dit aantal 44 en in 1857 is dit 79; voor 1865-1870, 83-79 personen (in 1871 zijn er aangesloten tot de Israelitische gemeemnte Meerssen 135 joden) en voor resp. 1920 en 1942 is dit 44 en 14.

 

 

SYNAGOGE

 

Levie Soesman, "de oude", kocht op 6 december 1780 een huis  van Peter Honee, gelegen op de Beekstraat hoek Kerkstraat, naast het zijne, en groot 2 roeden .

Daar richtte hij in 1796 een vertrek in tot bedehuis, een zogenaamde huissynagoge, en verhuurde dit aan de joodse gemeenschap. Levi Soesman [,] werd  bijna 100 jaar oud.

 

Bij testament van 4 februari 1796 bepaalde hij dat na zijn dood zijn zoon Bernard het huis en de hof zou krijgen, waarbinnen de synagoge was gelegen. Bernhard wilde de synagoge niet meer in zijn huis hebben. Blijkbaar was hij mensenschuw of niet zo godsvruchtig en de joodse gemeente [,] vond een bovenhuis in de Steegstraat hoek Gasthuisstraat (thans no. 9), dat inge­richt kon worden als huissynagoge en als zodanig gediend heeft tot 1853. Men had slechts de beschikking had over een lokaal.

Het lokaal Beekstraat/Steegstraat was door de slechte staat van onderhoud ongeschikt als bedehuis. In een brief aan de gemeenteraad van 5 juli 1848 stond:

"Behalve den onvoegzamen ingang, is den toegang en inrichting zodanig, dat oude ziekelijke en gebrek­kige gemeenteleden; buiten de mogelijkheid zijn aan de godsdienstoefeningen deel te nemen, terwijl van den andere kant de weinige ruimte ook andere belet om daarin een eredienst te komen bijwonen."

Vijf jaar eerder begon men met het maken van plannen voor de bouw van een nieuwe synagoge.

Ruzie over bevoegdheden waren schering en inslag in een kleine gemeen­schap, waar velen onderling familiebanden hadden. Zo schrijft Jacob Cahn, kerkmeester te Meerssen, op 29 juli 1830 vanuit zijn woonplaats Valkenburg, dat zijn collega L. Soesman eigen­machtig optrad en zonder overleg  "de haftora niet wilde laten opveilen" en wegschonk (haftora, gedeelte uit de Profeten, dat na de Tora-lezing wordt voorgedragen).

Toen Cahn hierop een aanmerking maakte, had Soesman hem "in de kerk" zelfs toegevoegd: "Gij hebt niets te zeggen en indien het u niet bevalt wat ik doe dan steek ik u een bessem in het lijf". Naar aanleiding hiervan werd Soesman ter verantwoording geroepen. Als verdediging voerde hij aan, dat de haftora van "Swart Sabbat" (de sabbat voor de dag, waarop de verwoesting van Jeruzalem wordt herdacht) nooit is geveild, terwijl men mannen heeft, leden van onze godsdienstige bijeenkomst, die zelfs niet bij machte zijn eerbiedig te kunnen Lei­sen" (zingend reciteren), zodat zijn optreden "de wanorde in het uitoefenen van onzen openbaren Eerendienst" voorkwam. Problemen met de bazige Soesman gingen later nog verder.

 

Op 5 november 1839 deelt S. Bloemendal het kerkbestuur te Meerssen mede dat de Hoofd Commissie tot zaken der Israëlieten te Den Haag een schrijven heeft ontvangen van 30 oktober 1839, no 1273/1274, en dat zij hebben meegedeeld dat "voorlopig te Meerssen niemand tot uitoefener als kerkelijk besnijder mag optreden, behalve de heren B. Wesly uit Maastricht en M. Stern te Eysden, die daartoe de bevoegdheid bezitten, in afwachting dat binnen korte tijd hier ter stede, een commissie zal worden ingesteld, teneinde diegene welke zich tot besnijder willen bekwamen, tot het examen toe te laten en bevoegd te verklaren. Ik moet u derhalve aanbevelen om er op te waken, dat geen daartoe onbevoegde personen de besnijdenis ondernemen, teneinde de gevaarlijke gevolgen, welke uit dergelijke operatie door ongeschikte personen zouden kunnen voortvloeien, te voorkomen.

Dat voorlopig als bevoegd algemeen kerkelijk inzegenaar is aangesteld, Jacob Levy te Maastricht, zodat, wanneer iemand verlangt kerkelijk ingezegend te worden, bijtijds zijn burgerlijke trouwakte aan mij franco zal hebben toe te zenden en dan de inzegenaar op zijn kosten te ontbieden. Zij zullen binnenkort verder hieromtrent worden meegedeeld. Ten slotte verzoek ik u mij, zodra mogelijk een projectreglement van Godsdien­stige en Ceremoniële orde van de gemeente ter goedkeuring in te zenden en als zulks bereids vroeger heb gevraagd. "

 

Eind 1839 richt Bloemendal zich tot de Staatsraden belast met het voorlopig bestuur der weder in bezit genomen landstreken in Limburg. Op 6 februari 1840 schrijft Bloemendal een brief naar Meerssen, met een kopie van de brief aan bovengenoemde commissie, met de volgende inhoud: 

"Gezien de brief van de heer Bloemendal, gedelegeerde der Hoofd Commissie tot zaken der Israëlieten voor het Synagogaal ressort van Maastricht, gedateerd 24.1.1840, no.53, daarbij overleggende twee brieven van de Hoofd Commissie tot zaken der Israëlieten, waaruit blijkt dat de commissie zich vooralsnog onbevoegd rekent om zich officieel met de aangelegenheden der Israëlitische  gemeente in Limburg in te laten, dat dezelfde commissie het wenselijk acht dat waar de tussenkomst der Hoofd Commissie anders zou worden gevorderd de belangen door hem (Bloemendal) mogen worden  behartigd, mits vriendelijk verzoekend om de Staatsraden Commissarissen hier omtrent te mogen vernemen, heb­bende goed gevonden en verstuurd, de heer Bloemendal voornoemd te machtigen om zich in afwachting van Zijne Majesteits beslis­sing tot definitieve regeling van dienst voor de aangelegenheden der Israëlitische gemeente in Limburg, die aangelegenheid inplaats der Hoofd Commissie te Den Haag aan te trekken en derhalve als zodanig alle aangelegenheden waar gevorderd de beslissingen van de Staatsraden."

 

In de brief moedigt Bloemendal de afgetreden kerk­meesters aan om onverwijld rekening en verantwoording van hun gehou­den administratie en inventaris over te leggen, alle gelden, boeken, papieren, reglementen, effecten van de gemeente welke van vroegere jaren in hun handen waren, een afschrift deze rekening alsmede van de inventaris uiterlijk voor 20 februari 1840.

Voorts verwacht Bloemendal een opgave van de toestand van de gemeente, te weten:

1. Welke onroerende goederen bezit men?

2. Welke ambtenaren fungeren in de Israelitische gemeente?

3. Hoe zijn de vermoedelijke uitgaven begroot met inbegrepen

    van het salaris van kerkambtenaren die de functie voorzanger,

    onderwijzer en beestensnijder bekleden, en wie dit betaalde?

4. Hoe groot waren de vermoedelijke ontvangsten?

 

Het antwoord luidde op 15 maart 1840.

"Mijnheer, Wij hebben de eer uw vragen van 5 februari 1840, no 55, te beantwoorden. Aan de afgetreden kerkmeester L. Soesman hebben wij de oude registers, papieren en witboek gevraagd om ze ter hand te stellen. Hij verklaart van zulke aard niets te bezitten bij de aanstelling van kerkmeester.

1. Onroerende goederen heeft onze gemeente niet, behalve een  begraafplaats.

2. Kerkambtenaren hebben wij tot heden toe niet. Onderwijzer en

voorzanger zijn in onze gemeente noodzakelijk maar tot nu

hebben wij het niet kunnen regelen, want het is bezwaarlijk

de lasten op te brengen.

3. Uitgaven kunnen berekend worden aan huur van de kerk en

andere behoeften op een som van negentig gulden.

- behalve kerkambtenaren                        

fl.  90.-

- voorzanger en onderwijzer                    

fl. 180,-

 

fl. 270,-

4. Ontvangsten van het jaar 1839 offer-gelden en verhuurde plaatsen in de kerk zijn         

 

 

fl. 126

Erop vertrouwende  dat wij uw vragen naar genoegen hebben geant­woord,  was getekend Wijngaard en A. Burger.

 

Maar Bloemendal was niet tevreden en schrijft 1 april 1840 een boze brief naar Meerssen.

"Ik heb  de onaangename taak u mijn ontevredenheid te betuigen, niet alleen betreffende de overdrachtbeantwoording van mijn brief van 5 februari 1840, no 55, maar ook over de onvolledigheid van uw brief van 15 maart 1840 en verzoek u onverwijld de behoorlijke, gedetailleerde rekening over 1839 ter goedkeuring mij te zenden. Voorts verzoek ik u nogmaals de afgetreden kerkmeester te vragen zonder uitzondering goedwillend over te geven en hem te kennen  te geven bij verdere weigering een gerechte­lijke vervolging te zullen moeten verwachten.

Getekend S. Bloemendal."

 

Wat zou er aan de hand geweest zijn? Vertikte Soesman de oude archieven af te geven of had hij werkelijk niets, waren er zaken die het daglicht niet konden verdragen, of dacht hij over de periode 1830 - 1839 (Belgie's bestuur over Meerssen) geen verantwoording verschul­digd te zijn aan Bloemendal of wilde hij met Maastricht niets te maken hebben? Zelf heb ik de indruk dat er beslist oude archiefstukken van voor 1830 in het bezit van de Israelitische gemeenschap Meerssen zijn geweest, maar waar zijn ze gebleven? Hierdoor wordt het moeilijk de joodse geschiedenis van Meerssen na te gaan van voor 1830. Het aantal leden van de ringsynagoge was 97 in 1848.

 

Op 21 april 1847 kocht men van de heer Hertz Wijngaard, lid van de joodse gemeen­schap, een weide gelegen aan de Kookstraat langs de beek naast de wed. Lecoeur voor fl. 330. Op 21 april 1847 pas­seerde bij notaris Jacob Antoon Wilmar te Meerssen de akte van aankoop van het terrein, waar men de benodig­de stenen zou gaan bakken in twee veldovens. Dit werk werd gedaan door Nico­laas Joseph Hermans uit Puth Schinnen. Bouw­mees­ter J.L. Lemmens uit Beek kreeg de opdracht tot het maken van een plan met bestek en kostenbe­gro­ting.

 

Toen men later de beschikking kreeg over een ander bouwterrein, Kuileneind, de plaats waar de synagoge zou komen te staan, stond daar een oude schuur die eerst diende te worden afgebroken. De akte werd opgesteld door notaris De Flize te Maastricht op 26 september 1­850. Lemmens maakte een nieuw ontwerp, dat op 7 janua­ri 1851 gereed kwam. Verder had men het voordeel dat er op dit stuk grond nog een huis stond hetwelk men kon gebruiken als kosterwoning. De openbare aanbesteding vond plaats op 8 april 1851 's middags om 2 uur bij de Heer Widdershoven te Meerssen. Dit werd o.a. bekend gemaakt in Journal du Limbourg. Hierbij waren aanwezig de burgemeester en leden van de gemeenteraad, die welwillend hun medewerking daartoe hadden gegeven ter besparing van onnodige notaris kosten.

 

De heer Ortt, ingenieur van de waterstaat, woonde al de werkzaamheden van de openbare aanbesteding bij. Deze aanbesteding werd toegewezen aan de heer H. Dolders te Meerssen, die de laagste inschrijver was met een som van fl. 4200,-.

Tevens werd de heer Berger aangesteld, opzichter van de waterstaat, wonende te Meerssen. Mondeling werd overeengekomen dat het opzichtersloon fl. 100 zou bedragen.

Het stuk weide, dat voorheen was aangekocht voor de bouw van de nieuwe synagoge aan de Kookstraat, werd doorverkocht aan Christiaan Claessen voor de som van fl. 310,-.

De nieuwe synagoge werd bekostigd uit een fonds dat door de joodse ge­meenschap was opgericht op 8 maart 1843 (op 20 maart 1843 goedgekeurd door de Hoofd Commissie tot Zaken der Israëlieten voor het Synagogaal ressort Limburg en op 30 maart 1843 door de Hoofdcommissie tot Zaken der Israëlieten te Den Haag).

 

Het fonds kwam aan zijn middelen door gelden uit:

a.    wekelijkse vastgestelde vrijwillige bijdragen

b.    vrijwillige buitengewone bijdragen

c.     offergelden door de inschrijvers

d.    collectes

e.    vrijwillige bijdragen

f.     geldelijke steun van gemeente en rijksoverheid

 

Het reglement van het fonds hield ondermeer in:

1.    Zij die zich verplichten een door hen zelf te bepalen som bij te dragen maar niet konden schrijven moesten dit verklaren in tegenwoordigheid van twee getuigen, die dan uit naam van betrokkenne tekenden.

2.    Hij die deze bijdrage voor een of meerdere personen betaalde, moest dit doen onder voorwaarde dat hij zulks verklaarde bij ondertekening en met naamsaanduiding van de persoon of personen namens wie bijgedragen werd, met vermelding van de grootte van het geschonken bedrag.

3.    De verplichting tot bijdrage aan het fonds werd aangegaan voor de duur van maximaal drie jaar.

4.    Personen die na sluiting nog genegen waren tot een wekelijkse bijdrage, moesten zich verplichten bij te betalen voor de periode vanaf  het moment dat de opening van het fonds verlopen was, alsmede een verhoging van 1% per maand op deze som te betalen. Deze verhoging kwam ten goede aan het algemeen fonds en zou niet van invloed zijn op de verdeling van de zitplaatsen.

5.    Elke inschrijver mocht een vrijwillige bijdrage naast de gewone bijdragen doen. De extra bijdrage mocht echter nooit minder dan 10 cent bedragen. Deze gift werd bij het bedrag van inschrijving aangetekend en bij de verdeling van de zitplaatsen in aanmerking genomen. De extra bijdrage kon de gever nimmer van zijn wekelijks verplichte bijdrage ontheffen.

6.    Collectes werden gehouden door de gehele gemeente met toestemming van het bevoegd gezag.

 

De eerste personen die betaalden aan het tot stand komen van de synagoge waren:

 

naam

plaats

vanaf

bedrag/week

Wijngaard Michel

Meerssen

17.04.1843

25 cent

Soesman Abraham

Meerssen

17.04.1843

20 cent

Soesman Leyser

Meerssen

17.04.1843

25 cent

Soesman Leon

Meerssen

17.04.1843

10 cent

Wijngaard Hertz

Meerssen

17.04.1843

25 cent

Lazarus Joseph

Haasdaal

17.04.1843

20 cent

Alba Izaac Leo

Haasdaal

17.04.1843

10 cent

Wijngaard Salomon

Meerssen

17.04.1843

10 cent

David Leeb

Rothem

17.04.1843

15 cent

Hertog Abraham (Joseph)

Meerssen

17.04.1843

15 cent

Soesman Joseph

Meerssen

17.04.1843

8 cent

Karel Leon

Meersen

17.04.1843

10 cent

Wijngaard Meijer

Meerssen

17.04.1843

15 cent

Soesman Alexander

Meerssen

17.04.1843

15 cent

Wijngaard Izaac

Meersen

17.04.1843

10 cent

Hertog Hendrik

Meerssen

17.04.1843

10 cent

Marx Philip

Meerssen

17.04.1843

10 cent

Zeligman Jacob

Meerssen

17.04.1843

5 cent

Soesman Ambrosius

Meerssen

17.04.1843

15 cent

Lefebre David

Eysden

17.04.1843

10 cent

Soesman J.

Meerssen

17.04.1843

8 cent

Bannenik

Haasdal

17.04.1843

10 cent

Karel Joseph

Rothem

17.04.1843

5 cent

Bannendik Jacob

Haasdal

17.04.1843

5 cent

Bannendik David